Sinds de stichting van ’s-Hertogenbosch in de 12e eeuw is de stad overwegend rooms-katholiek geweest. Ze werd de vestigingsplaats van talrijke religieuze orders en kerken, waarvan er tot op de dag van vandaag nog een aantal bestaan.
Toen Maarten Luther in 1517 zijn 95 stellingen over de misstanden binnen de katholieke kerk publiceerde, bereikten zijn ideeën ook ’s-Hertogenbosch. Vooral kooplieden en handelaren lieten zich hierdoor beïnvloeden. Deze nieuwe aanhangers van de Reformatie kwamen bijeen net buiten de stadsmuren, op de Vuchterheide, om hun overtuigingen te bespreken en verder te verspreiden.
Dat leidde tot grote onvrede bij de katholieke kerk en het Bossche stadsbestuur. De lokale protestanten werden vervolgd en verdreven. In 1566 bereikte de Beeldenstorm Den Bosch: beelden in de Sint-Jan werden vernield, al lieten de vandalen het altaar staan omdat ze dat wilden behouden voor het geval ze zelf de macht in de stad zouden overnemen. De spanningen tussen katholieken en protestanten liepen hierdoor verder op in de stad. In 1567 kwam de hertog van Alva naar Den Bosch om de protestantse inwoners op te sluiten of te executeren. Daarmee herstelde hij tijdelijk de orde.
Na deze gebeurtenissen gingen de protestantse bijeenkomsten ondergronds verder. Nadat het leger van Alva de stad had verlaten, brak er een periode aan waarin protestanten weer werden getolereerd en zelfs een plaats kregen in het stadsbestuur. Deze periode kwam echter ten einde in 1579, toen het Schermersoproer uitbrak.
Dit was een gewelddadig conflict op de Markt tussen katholieke en protestantse inwoners. Het stadsbestuur had besloten zich aan te sluiten bij de Unie van Utrecht en daarmee openlijk in opstand te komen tegen het Spaanse rijk, aan de zijde van Willem van Oranje. De katholieke gilden waren het daar absoluut niet mee eens en trokken naar het stadhuis om verhaal te halen. Toen ze daar aankwamen, loste een protestants gildelid een schot, waarna er een gevecht uitbrak.
De katholieke bevolking trok uiteindelijk aan het langste eind. De protestanten kregen de keuze om de stad te verlaten en zich elders, binnen de Nederlandse Republiek, te vestigen. Ongeveer 20% van de Bossche bevolking vertrok in die tijd. ’s-Hertogenbosch was een van de weinige Nederlandstalige steden die loyaal bleef aan het Spaanse rijk.

Voor de Nederlandse Republiek had ’s-Hertogenbosch een strategisch belang: de stad vormde de doorgang van Holland en Gelre naar Brabant. De inname van de stad werd daarom beschouwd als een uiterst belangrijke prioriteit.
De eerste grote poging vond plaats in 1585, toen het Staatse leger onder leiding van Hohenlohe probeerde de stad met een verrassingsaanval te veroveren. In de vroege ochtend, toen de stadspoorten werden geopend, stormden de Staatse troepen naar binnen. Een overlevende Bossche poortwachter wist echter de poort achter hen te sluiten, waardoor de soldaten in de val zaten.
Tot overmaat van ramp wist Hohenlohe niet dat de Heer van Haultepenne zich met een klein leger in de stad bevond. Toen de Staatsen beseften dat de Bosschenaren zich niet zomaar overgaven en bovendien versterking kregen van Haultepenne, sloeg de paniek toe. Ze probeerden te vluchten, maar konden de stad niet meer uit. Velen werden gedood of in de slotgracht gedreven, waar ze verdronken.
Zo werd de eerste poging tot inname van ’s-Hertogenbosch met succes afgeslagen door de Bosschenaren. Doordat de stad standhield, had dat een belangrijk bijeffect: het beleg van Antwerpen werd ook een succes voor dan Spanjaarden, omdat de Spaanse troepen vanuit Den Bosch werden bevoorraad en dus langer het beleg konden volhouden.

Na de mislukte poging van Hohenlohe — die zich inmiddels de vergetelheid in had gedronken — probeerde stadhouder Maurits van Oranje maar liefst vijf keer de stad in te nemen. Al deze pogingen mislukten echter door de sterke verdediging van de Moerasdraak en de barre winteromstandigheden. Door al die gefaalde pogingen kreeg de stad zijn bijnaam, de ”Moerasdraak”.
In 1609 begon het Twaalfjarig Bestand tussen de Nederlanden en Spanje, waardoor er tijdelijk een einde kwam aan de voortdurende dreiging rond ’s-Hertogenbosch. Ook kreeg Den Bosch een vernieuwde stadswal die beter tegen kanonnen vuur kon. In 1621 kreeg Spanje opnieuw het vertrouwen dat het mogelijk zou zijn om meer vrijheden voor de katholieken te kunnen onderhandelen en de gebieden terug te veroveren die de Nederlanden in bezit hielden. Dat bleek echter moeilijker dan verwacht. Bovendien veroverde de Republiek later de Zilvervloot, waardoor zij over voldoende middelen beschikte om een nieuw beleg van ’s-Hertogenbosch te financieren.
Toen het beleg van 1629 begon werd ’s-Hertogenbosch verdedigd door ongeveer 3.000 manschappen. Omdat de Spanjaarden dachten dat Breda het doelwit van het beleg zou worden, was een groot deel van het buskruit naar die stad verplaatst — een fout die later zwaar zou wegen.
Eind april 1629 begon het Staatse leger met het innemen van de omliggende gebieden rond Den Bosch. Via de Maas werden de bijna 30.000 Staatse soldaten bevoorraad met kanonnen en ander zwaar materieel. De nieuwe stadhouder Frederik Hendrik paste een vernieuwende tactiek toe: hij liet de stad volledig omsingelen, zodat niemand er nog in of uit kon en er geen water meer naar binnen kon stromen.
Hiervoor werden een contravallatielinie en een circumvallatielinie aangelegd. De eerste diende om de stad in te sluiten, de tweede om aanvallen van buitenaf af te slaan die bedoeld waren om Den Bosch te ontzetten. De stad werd vanuit meerdere richtingen langzaam ingesloten. Om de organisatie te behouden, werd het Staatse leger verdeeld in kwartieren, elk onder leiding van een eigen bevelhebber.

De volledige linie rond de stad was maar liefst 45 kilometer lang en ongeveer 1 meter tachtig hoog. Toen de omsingeling voltooid was, begonnen de eerste grote aanvallen. De meeste successen werden geboekt vanuit Vught, dat hoger lag dan Den Bosch en daardoor minder hinder ondervond van het water.
’s Nachts trokken kleine groepjes soldaten er vaak op uit om de vijandelijke verschansingen te saboteren. Dat was bijzonder riskant en liep regelmatig slecht af.
Binnen de stad werd de situatie voor de bewoners steeds zwaarder. Er waren vrijwel constante bombardementen, en door het stilstaande water braken allerlei ziektes uit. Omdat er geen vers water meer de stad in stroomde, kon afval niet worden afgevoerd met de stroming. Door het tekort aan munitie werd alles wat van metaal was omgesmolten tot kogels en kanonskogels.
Toch was er één lichtpunt: er was voldoende voedsel. Dankzij een streng rantsoensysteem bleef hongersnood uit, al stegen de prijzen sterk, wat vooral de armere bevolking hard trof. Het belangrijkste voor het stadsbestuur was echter om het moreel hoog te houden, want als de inwoners zich tegen het bestuur zouden keren, zou de Republiek onvermijdelijk de overwinning behalen.
In juni 1629 begon de eerste poging van de Spanjaarden om ’s-Hertogenbosch te ontzetten. Hendrik van den Bergh, een neef van de Nederlandse stadhouder Frederik Hendrik, kreeg de leiding over een leger dat de circumvallatielinie rond de stad moest doorbreken. Door een tekort aan munitie en manschappen mislukte deze poging echter.
Hendrik van den Bergh bedacht vervolgens een ander plan. Hij trok met zijn leger richting de Veluwe om daar onrust te stoken en zo een afleiding te vormen voor Frederik Hendrik. Deze inval slaagde gedeeltelijk: Van den Bergh wist Amersfoort in te nemen, maar zijn leger stuitte al snel op logistieke problemen. Grote legers leefden doorgaans van het land, maar in dat gebied was onvoldoende landbouwgrond om het leger te onderhouden. Daardoor moesten de aanvoerlijnen vanuit het zuiden worden verlengd, wat de troepen kwetsbaar maakte.
Hoewel de inval tot paniek leidde in de Republiek, hoefde het beleg van ’s-Hertogenbosch niet te worden stilgelegd. Frederik Hendrik hield het grootste deel van zijn leger rond de stad, omdat de opmars van Van den Bergh traag verliep en kon worden tegengehouden door een kleiner leger onder bevel van Ernst Casimir van Nassau-Dietz, die eveneens deelnam aan het beleg. Uiteindelijk mislukte ook deze tweede poging van de Spanjaarden om de stad te ontzetten.
Ondertussen kwamen de loopgraven van de Republiek steeds dichter bij de stadsmuren van ’s-Hertogenbosch. Vanuit het zuiden bleef de grootste dreiging komen: daar hadden de Staatsen inmiddels alle buitenwerken ingenomen en konden ze direct de stadspoorten aanvallen.
De militaire gouverneur Grobbendonk wilde het beleg zo lang mogelijk rekken om zijn reputatie hoog te houden bij het Brusselse bestuur. Toch was het aantal verdedigers inmiddels sterk geslonken, en begin september was het buskruit vrijwel volledig op. Ook de burgers zagen in dat de situatie onhoudbaar was geworden en drongen aan op onderhandelingen.
Toen op 11 september 1629 een deel van een bastion door de Staatsen werd ingenomen, besloot de stad de onderhandelingen te openen. Deze begonnen op 12 september in Vught. De gesprekken met gouverneur Grobbendonk verliepen relatief soepel en er werd snel een akkoord bereikt. De onderhandelingen met het stadsbestuur verliepen echter moeizamer.
Het stadsbestuur stelde namelijk eisen die voor de Republiek onacceptabel waren, zoals het behoud van de katholieke eredienst in de Sint-Jan, het volledig handhaven van de oude stadsrechten en de toetreding van het hertogdom Brabant tot de Staten-Generaal. Uiteindelijk werd besloten dat de Sint-Jan een gereformeerde kerk zou worden, dat de stadsrechten mochten blijven bestaan, maar dat de Staten-Generaal altijd het laatste woord zouden hebben en Brabant werd aangewezen als een Generaliteitsgebied, wat in feite betekende dat het onder directe controle van de Republiek bleef — dus als bezet gebied.

Het verlies van ’s-Hertogenbosch kwam hard aan in Brussel. Veel bestuurders kregen de schuld dat zij te weinig hadden gedaan om de inname van de stad te voorkomen. Binnen de Brusselse elite groeide de angst dat Frederik Hendrik, nu het Spaanse leger verzwakt was, ook andere steden zou veroveren.
In de Republiek daarentegen werd het nieuws met groot enthousiasme gevierd. ’s-Hertogenbosch werd zelfs een toeristische trekpleister voor mensen die met eigen ogen wilden zien hoe het beleg was verlopen en welke verwoestingen de strijd had aangericht.
Voor de Bossche bevolking was de impact het grootst. De katholieke kerken werden overgenomen door de protestanten of gesloten, er was veel verwoesting, en de stad kreeg geen inspraak in het bestuur van het nieuwe land waarin zij zich bevond. In 1645 werd het Fort Papenbril in gebruik genomen, dat bedoeld was om de Bossche bevolking te bewaken en mogelijke opstanden te voorkomen. Dit vergrootte het wantrouwen tegenover de noordelijke bestuurders nog verder. Pas in 1815 kreeg ’s-Hertogenbosch voor het eerst een gelijkwaardige positie binnen Nederland.
- Wikipedia
- Schermersoproer
- Aanslag op ‘s-Hertogenbosch (1585)
- Beleg van ‘s-Hertogenbosch (1629)
- Inval van de Veluwe (1629)
- Digibron
- REFORMATIE VAN STAD EN MEIERIJ DEN BOSCH -1-
- VGN Kleio
- Beleg van Den Bosch (1629), nieuwskaart als propaganda